Selecteer de taal

GROEPEN GELEIDE WAPENS

 Auteur: Rinus Baaijen, Kap bd Lua

Groep Geleide WapensGroep Geleide Wapens

 De Groep Geleide Wapens De Peel (GGWDP) werd op 1 juli 1994 opgericht op de voormalige Vliegbasis De Peel te Vredepeel onder commando van Kolonel de Vries. De oprichting van GGWDP was een gevolg van het eind van de Koude Oorlog in 1990 en de daaruit voortvloeiende bezuinigingen. 3- en 5GGW werden in 1994 respectievelijk 1995 opgeheven, teruggetrokken uit Duitsland en hun squadrons binnen GGWDP samengevoegd tot vier TRIAD-squadrons. De TRIAD-squadrons werden genummerd 801, 802, 803 en 804Sq. Ieder TRIAD-squadron was een combinatie van twee HAWK Assault Fire Units (AFU) en één PATRIOT-vuureenheid. Om integratie van het personeel te bevorderen was gekozen voor een constructie waarin ex-3- en ex-5GGWers binnen één TRIAD-squadron werden geplaatst. Het Command & Control element van GGWDP werd gevormd door het 800Sq.

 

Ondanks de jarenlange ervaring van het personeel in het operationele werk bleek het opwerken naar de uit Duitsland vertrouwde hoge operationele standaard moeizaam. Allengs echter werden de resultaten van de oefeningen beter. Inmiddels verschoof de focus van de grondgebonden luchtverdediging, vooral als gevolg van de ervaringen van de Golfoorlog 1991, naar Theater (Ballistic) Missile Defence (T[B]MD). Intensieve contacten met de Amerikaanse en Duitse eenheden resulteerden in gezamenlijke TMD-oefeningen waarbij de interconnectiviteit tussen de deelnemers succesvol gedemonstreerd kon worden. Naast de ontwikkeling van het TMD-concept was het ook nodig het personeel te trainen in het verdedigen tegen een luchtdreiging die niet alleen meer uit vliegtuigen en helikopters maar ook uit kruisvluchtwapens en ballistische raketten bestond. Binnen GGWDP werd daartoe de oefening Joint Project Optic Windmill (JPOW) opgezet. JPOW ontwikkelde zich in de navolgende jaren tot de toonaangevende TMD-oefening binnen Europa met vele internationale deelnemers. 

 

 In januari 1996 werd GGWDP uitgebreid met 120Sq dat alle wapensysteemgerelateerde opleidingen en de rijopleidingen verzorgde. In 2000 werd GGWDP omgenoemd naar de Groep Geleide Wapens (GGW). Rond deze tijd naderden de HAWK-systemen het einde van hun operationele leven. De KLu had een uitgewerkt plan om de HAWK-systemen te vervangen door Duitse PATRIOT-systemen die daar overtallig waren geworden. Hoewel de deal zo goed als beklonken leek, werd deze toch in 2003 afgeblazen. De uitfasering van de HAWK-systemen ging wel door. Dit leidde tot een reorganisatie van de GGW: de vier PATRIOT-eenheden werden in 2004 ondergebracht in 802 en 803Sq, onder opheffing van 801 en 804Sq. Op 27 juni 2002 vond de laatste Nederlandse HAWK-firing plaats te NAMFI op Kreta.

 

Er was ook positief nieuws: Nederland besloot de PAC-3 missiles aan te schaffen alsmede een aantal additionele launchers. De levering van de missiles volgde na modificaties aan vuurleidings- en lanceringsapparatuur echter pas in 2008. Een hernieuwd conflict rond Irak leidde in februari 2003 tot de uitzending van drie PATRIOT Fire Platoons (FP) naar Turkije in operatie DISPLAY DETERRENCE. In april 2003 keerden de FPs terug naar De Peel. In de loop der jaren was een aantal grote modificaties en software-upgrades op het PATRIOT-systeem uitgevoerd; de Sweep-Downs v.w.b. de systemen zelf en de Post Deployment Builds v.w.b. de software. Tevens was de Tactical Command Post (TCP) als groepscommandopost ingevoerd.

 

In 2004 werd de GGW aangewezen een jaar lang het Provincial Reconstruction Team (PRT) in de Afghaanse provincie Baghlan te leveren als deel van Nederlandse bijdrage aan de  NAVO-geleide operatie International Security Assistance Force (ISAF). 

 

In dezelfde tijd speelde de Defensiestaf met het idee om de grondgebonden luchtverdediging van land- en luchtmacht te integreren en te coloceren op De Peel. De intentie was om een Joint Air Defence Centre en een Joint Air Defence School op te richten. Die zouden er uiteindelijk niet komen omdat de politieke top in 2006 besloot tot een algehele integratie van de 'groene' en 'blauwe' grondgebonden luchtverdediging in een Commando Grondgebonden Luchtverdediging (CGLVD) op De Peel. In hetzelfde jaar begon de verplaatsing van landmachtpersoneel naar De Peel. Lange tijd hing het besluit over welk krijgsmachtdeel verantwoordelijk zou zijn voor het CGLVD boven de markt. Op 23 september 2009 maakte de Commandant der Strijdkrachten zijn beslissing bekend dat de Koninklijke Landmacht de 'Single Service Manager' zou worden van wat ging heten het Defensie Grondgebonden Luchtverdedigingscommando (DGLC). Na uitvoerige discussies over de inrichting werd het DGLC op 29 maart 2012 opgericht, onder opheffing van de GGW. Daarmee kwam na 51 jaar een eind aan de grondgebonden luchtverdediging onder de luchtmachtvlag. 


Commandanten GGW(DP)

Rang Vltrs Naam van tot
Kol  P. de Vries  01 jul 1994 11 okt 1996
Kol  R.S. van Dam 11 okt 1996 29 jul 1998
Kol  F.H. Meulman 29 jul 1998 11 jan 2000
Kol  T.C.M. Rikken 11 jan 2000 14 jan 2004
Kol  J. van Hoof 14 jan 2004 22 feb 2005
Kol  A.A.H. De Bok 22 feb 2005 3 jul 2008
Kol  P. Wijninga 03 jul 2008 28 mrt 2012

 

Link naar foto's GGW(DP) : werkt nog niet!


 Geraadpleegde bronnen:

  • Nederlof: Blazing Skies (2002), Sectie Luchtmachthistorie/Sdu, ISBN 90 12 09678 2
  • van der Vegt: Take-off (2013), Nederlands Instituut voor Militaire Historie/Boom, ISBN 9789461055705
  • van Loo, S. Maaskant, D. Starink en Q. van der Vegt: Verenigd op de grond, daadkrachtig in de lucht (2017), Nederlands Instituut voor Militaire Historie/Boom, ISBN 9789089537027

 

INTRODUCTIE GELEIDE WAPENS

 Auteur: Ronald Dorenbos, LKol bd, KLu

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat luchtafweer met behulp van luchtdoelartillerie (kanonnen) een minder effectief en weinig efficiënt middel was om het hoofd te bieden aan massale luchtaanvallen. Zo waren voor de verdediging van het Verenigd Koninkrijk tegen V-1 wapens in 1944/45 uiteindelijk ca. 4000 granaten per succesvolle onderschepping benodigd[1] , terwijl dit doel niet uitzonderlijk snel was, op middelbare hoogte vloog en niet manoeuvreerde. Het voornaamste nadeel van luchtdoelartillerie is dat een afgevuurde granaat een baan volgt die gedefinieerd wordt door de wetten van de zwaartekracht en luchtweerstand en eenmaal afgevuurd niet meer kan worden bijgestuurd naar het (eventueel manoeuvrerende) doel. Verder waren de granaten in eerste instantie nog niet uitgerust met een nabijheidsontsteking waardoor de effectiviteit verder nadelig werd beïnvloed. Tevens leidde de uitvinding van de straalmotor tot de ontwikkeling van vliegtuigen die sneller en hoger konden vliegen. Al tijdens de oorlog begonnen daarom met name de Duitsers met het experimenteren met geleide wapens voor de luchtafweer.

De Duitsers concentreerden zich op twee ontwikkelingstrajecten: voortstuwing en geleiding. Qua voortstuwing was de rakettechniek veelbelovend. Hierdoor kon een relatief grote hoogte, bereik en snelheid voor het projectiel worden behaald bij acceptabele volumes en gewichten van de voortstuwende lading. De V-2 is een bekend voorbeeld van een operationeel ingezette raket. Voor de geleiding werd teruggevallen op al ontwikkelde radartechnieken of radiogeleiding vanaf de grond. Onder andere op basis van de V-2 ontwikkelde de Duitsers raketten specifiek voor de luchtafweer; de Enzian, de Wasserfall en de Rheintochter.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de ontwikkeling van geleide wapens ('Surface-to-Air Missiles'/SAM) voor de luchtafweer met name in de VS (en de USSR) verder ter hand genomen. Voor de VS bestond de luchtdreiging uit hoogvliegende formaties Sovjet-bommenwerpers uitgerust met atoombommen en later uit intercontinentale raketten met een nucleaire lading. De Amerikaanse luchtafweer moest gaan bestaan uit een mix van onderscheppingsvliegtuigen, geleide wapens voor de lange afstand, geleide wapens voor de puntverdediging van vitale objecten (met name de grote steden) en mobiele geleide wapens voor de luchtverdediging van landstrijdkrachten. Dit resulteerde in de 50-er jaren in de VS tot de ontwikkeling van (o.a.) de NIKE voor objectverdediging en de HAWK als mobiel raketsysteem.

Ook in Nederland was aandacht voor de ontwikkeling van geleide wapens voor de luchtverdediging[2] . Al in 1949 vond een 'Symposium voor het raketvraagstuk' plaats en in 1958 rapporteerde de Commissie Ontwikkeling Raketten aan de Minister van (toen nog) Oorlog omtrent de wenselijkheid tot invoering van grond-lucht geleide wapens.

Nadat West-Duitsland in 1955 toetrad tot de NAVO en de verdediging van het NAVO-grondgebied naar het oosten moest worden uitgebreid, ontspon zich binnen de NAVO een discussie over hoe de luchtverdediging van het NAVO territorium moest worden ingericht. De NAVO kwam tot de conclusie dat een geïntegreerde luchtverdediging van jachtvliegtuigen en geleide wapens benodigd was, geleid door een meldings- en gevechtsleidingsstelsel en met gescheiden volumes luchtruim voor de inzet van bemande jagers en geleide wapens. Dit stelsel, het NATO Integrated Air Defence System (NATINADS), vormt sinds de activering op 1 juli 1961 nog steeds het grondvest van de luchtverdediging van de NAVO-landen. Binnen het NAVO-gebied werden van oost naar west gezien een Forward Missile Intercept Zone (FMIZ) en daarachter een Fighter Engagement Zone (FEZ) ingericht. De FMIZ werd onderverdeeld in een Low Missile Engagement Zone (LOMEZ) tegen doelen op lage hoogte en een High Missile Engagement Zone (HIMEZ) tegen doelen op middelbare en grote hoogte. In het achterland werden nog Short Range Air Defence Engagement Zones (SHORADEZ) ingericht voor de verdediging van specifieke vitale objecten. De geleide wapeneenheden werden in een tweetal langgerekte, aaneengesloten gordels ('missile belts') van Noord-Noorwegen tot Oost-Turkije (m.u.v. Oostenrijk) langs de grens tussen NAVO en Warschau Pakt opgesteld.

Air Defence Belts

Om het NATINADS te vullen werd Nederland door de NAVO 'aangeslagen' voor twee groepen geleide wapens voor de luchtverdediging op middelbare en grote hoogte en twee groepen voor luchtverdediging op lage hoogte. De vier groepen zouden in West-Duitsland worden gestationeerd globaal ter hoogte van Enschede. Tussen land- en luchtmacht werd gestreden over de vraag bij welk krijgsmachtdeel de geleide wapens zouden worden ingedeeld. Uiteindelijk besliste de Minister voor(!) Defensie ten faveure van de Koninklijke Luchtmacht (KLu). Later besloot de minister nog een derde groep geleide wapens voor luchtverdediging op lage hoogte aan de NAVO aan te bieden. Zo ontstonden de vijf Groepen Geleide Wapens (GGW) van de KLu: 1, 2, 3, 4 en 5GGW. Zij kregen respectievelijk de NAVO-luchtverdedigingsvakken 9, 7, 58, 59 en 60 toebedeeld.

De Nederlandse landstrijdkrachten kregen binnen de NAVO-strategie van voorwaartse verdediging een vak toegewezen in het gebied Bremen-Hamburg. Hierdoor konden de Nederlandse luchtverdedigingseenheden niet worden ingezet ter bescherming van de ontplooide Nederlandse landstrijdkrachten. Het operatiegebied van het 1e Nederlandse Legerkorps werd afgedekt door diverse Duitse Flugabwehrraketen (FlaRak)-bataljons.

Voor de uitrusting van de twee groepen geleide wapens voor de middelbare en grote hoogte werd dankbaar gebruik gemaakt van het Amerikaanse aanbod om NIKE-wapensystemen gratis beschikbaar te stellen in het kader van het Mutual Defense Aid Program (MDAP), inclusief de initiële opleidingen voor het personeel. Voorwaarde was wel dat de systemen in West-Duitsland werden gestationeerd. Dat leverde een aanzienlijke kostenpost voor Defensie op i.v.m. de bouw van huizen, scholen etc. voor het personeel en de aanleg van operationele sites. Voor de geleide wapen groepen voor de lage hoogte werd gekozen voor de HAWK, die door een Europees consortium in licentie werd geproduceerd. Hierbij was voor Nederland de participatie van bedrijven als Fokker, Philips en Hollandse Signaal Apparaten van belang vanwege de gebruikte nieuwe technologieën. Omdat ook Noorwegen, Denemarken, West-Duitsland, België, Frankrijk, Italië, Griekenland en Turkije kozen voor NIKE en HAWK was dit één van de eerste geslaagde materieelstandaardisatieprogramma's binnen de NAVO.

NIKE Hercules
NIKE Hercules
 
HAWK
HAWK

Op 1 november 1959 werd 1GGW als NIKE-eenheid opgericht. Het personeel werd opgeleid in de VS, waarna personeel en materieel naar Europa terugkeerde. Op 10 oktober 1961 werd het latere 119 Squadron te Münster-Handorf als eerste Nederlandse (en NAVO) geleide wapen squadron operationeel verklaard en onder operationeel bevel van de NAVO gesteld. Op 8 april 1963 werd 2GGW als NIKE-eenheid opgericht. Pas op 31 maart 1970 kon het 222Sq als laatste operationele NIKE squadron haar stellingen te Nordhorn betrekken. En passant werd vanaf 1966 een aantal van de NIKE-missiles bij driekwart van de NIKE-squadrons uitgerust met een nucleaire lading. Met een nucleaire lading was het mogelijk om meerdere doelen in een formatie met één schot uit te schakelen. Van 1967 tot 1978 beschikte één NIKE-squadron over aangepaste vuurleidingsapparatuur om Tactical Ballistic Missiles (TBM) te kunnen onderscheppen. In 1967/8 werd bij 1 en 2GGW een groepsradar ten behoeve van het Groepsoperatiecentrum (GOC) ingevoerd.

Op 15 augustus 1963 werd 3GGW als eerste HAWK-eenheid opgericht. Ook voor de HAWK vonden de initiële opleidingen plaats in de VS. Omdat de stellingen in Duitsland nog niet gereed waren werden personeel en materieel in eerste instantie geconcentreerd op de Vliegbasis Gilze-Rijen. In november 1964 verplaatste 3GGW zich naar de nieuwe standplaats Blomberg. In september 1965 bereikte de vier squadrons van 3GGW de operationele status. 4GGW werd opgericht op 1 oktober 1964 en werd in het najaar van 1966 operationeel. 5GGW werd in september 1966 geformeerd uit een kern van personeel afkomstig van 3 en 4GGW. Drie squadrons van 5GGW werden operationeel in de tweede helft van 1967. Het voorziene vierde squadron van 5GGW werd niet geformeerd. Geld- en personeelsgebrek waren hiervoor de oorzaak en een aanzienlijke hoeveelheid HAWK-materiaal was in maart 1968 bij een brand verloren gegaan.

De pioniersfase werd gekenmerkt door tal van problemen. Zo waren er ruim te weinig voertuigen voorhanden om alle HAWK-squadrons gelijktijdig te kunnen laten verplaatsen, reservedelen voor de apparatuur waren nauwelijks beschikbaar. Gekwalificeerd personeel was altijd schaars en verlof, cursussen of ziekte van personeel leidde tot extra belasting van de collega's, want de door de NAVO verordonneerde paraatheid ('status') was heilig en moest koste wat kost gerealiseerd worden.

Naast de vijf GGWs werd een Groep Techniek en Materieel Geleide Wapens (GTMGW) geformeerd in Hesepe. De GTMGW had tot taak alle vijf de GGWs logistiek en technisch te ondersteunen. Daartoe was een helikopter gestationeerd op Hesepe om snel materiaal of specialistische ondersteuning in te kunnen vliegen naar een 'non-ops' squadron.

Vanaf 1970 bestond de Nederlandse bijdrage aan NATINADS uit vijf GGWs met in totaal 19 squadrons. Deze situatie duurde maar zeer kort. Financiële problemen binnen de KLu noodzaakten al in maart 1970 tot een tijdelijke deactivatie van één NIKE en twee HAWK squadrons. In 1972 werd één squadron van 4GGW definitief gedeactiveerd. In 1975 vond een ingrijpende reductie en reorganisatie plaats, wederom ingegeven door noodzakelijke bezuinigingen. 1 en 2GGW werden ieder gehalveerd en samengevoegd tot 12GGW en 4GGW werd compleet opgeheven. Om het 'gat' in de HAWK-gordel dat 4GGW achter zou laten op te vangen werd van 3GGW één squadron verplaatst naar een voormalige locatie van 4GGW en één voormalig 4GGW-squadron werd overgeheveld naar 5GGW.

De 'Zesdaagse Oorlog' van 1967 had duidelijk gemaakt dat vliegbases kwetsbaar waren vanuit de lucht. De NAVO kwam dan ook al spoedig met eisen omtrent de bescherming van haar vliegbases. Naast passieve bescherming (camouflage, schuilplaatsen en 'shelters' voor de vliegtuigen) moest iedere vliegbasis ook over een luchtafweercomponent gaan beschikken. Deze taak was in eerste instantie belegd bij (mobilisabele) eenheden van het Korps Luchtdoelartillerie van de Koninklijke Landmacht. NAVO stelde echter de eis dat ook geleide wapens werden ingezet voor de verdediging van vliegbases. De drie vrijkomende HAWK-wapensystemen van 4GGW werden in 1975 daarom opgesplitst in ieder twee Assault Fire Units (AFU) en verdeeld over de Nederlandse vliegbases. Voor de nabij-luchtverdediging van de 12GGW werd in 1980 de combinatie Flycatcher-radar/40L70 kanonnen ingevoerd, in 1985 werden 3 en 5GGW uitgerust met het STINGER Man-Portable Air Defense System (MANPADS).

40L70G
40L70G
Stinger manpad
Stinger manpad

Ondanks diverse modificaties was het NIKE-systeem tegen deze tijd in tactisch opzicht verouderd. In de VS werd inmiddels het PATRIOT-systeem ontwikkeld als mobiel luchtverdedigingssysteem geschikt voor alle hoogtes. Nederland maakte plannen om PATRIOT aan te schaffen als opvolger voor de NIKE, maar wederom financiële perikelen noodzaakten tot verdere reducties. In 1982 werd besloten 12GGW en haar vier NIKE squadrons al in de periode 1983-1988 op te heffen. Verder zouden bij 3 en 5GGW de helft van de HAWK-systemen worden uitgefaseerd tijdens de invoering van de PATRIOT-systemen in het tijdvak 1987-1990. De eindsituatie voor 3 en 5GGW in 1990 was ieder twee squadrons uitgerust met HAWK en ieder twee squadrons uitgerust met PATRIOT.

Patriot
Patriot
De NAVO had onderkend dat door het toegenomen vliegbereik van de vliegtuigen en de relatief zwakke verdedigingsgordel in NoordDuitsland en Denemarken, het Warschau-Pakt vrij eenvoudig via Noord-Nederland het NAVO-achterland kon bereiken. De NAVO werkte aan een plan om HAWK-eenheden in Noord-Nederland te stationeren. De bij de invoering van PATRIOT vrijkomende HAWK-systemen van 3 en 5GGW waren hiervoor beschikbaar. Verder werkte Nederland aan een plan om een nieuwe geleide wapengroep in Nederland stationeren. Deze 'GGW-NL' zou tot taak krijgen vitale objecten in Nederland (b.v. de havens van Rotterdam) te beschermen met een combinatie van HAWK- en (extra) PATRIOT-systemen.

En toen viel in november 1989 de 'Muur', desintegreerde het Warschau-Pakt en de Sovjet-Unie en werden West- en Oost-Duitsland herenigd. Dit had al snel gevolgen voor het operationele leven. Waar tot 1972 per groep één squadron op een 'hot status' van 5 minuten stond en de hot status in de jaren '70 en '80 20 minuten voor HAWK en 30 minuten voor NIKE bedroeg, werd op 1 juli 1990 de hot status losgelaten. Geen nacht- en weekenddiensten meer... tot dan toe ongekend in de geleide wapenwereld. De gewijzigde situatie leidde in 1990 ook tot de oprichting van een Werkgroep Herstructurering en Herlocatie Groepen Geleide Wapens. In oktober 1991 werd het advies van deze werkgroep geaccordeerd: 3 en 5GGW zouden worden opgeheven, personeel en materieel worden teruggetrokken uit Duitsland en op de Vliegbasis De Peel samengevoegd tot de Groep Geleide Wapens De Peel (GGWDP). Daarbij zouden telkens twee HAWK-AFUs en één PATRIOT-systemen in een Triple Air Defence (TRIAD) squadron worden samengevoegd. In de periode 1994-1995 vond deze reorganisatie en verhuizing haar beslag.

Maar eerst werden de operationele squadrons van 3 en 5GGW nog daadwerkelijk ingezet tijdens de Golfoorlog 1991 in Turkije (operatie WILD TUREY) en Israël (operatie DIAMOND PATRIOT). De kerntaak bij deze dit conflict was de verdediging tegen TBMs, een duidelijke accentverschuiving in de luchtverdediging. De Irakese versie van de Russische TBM die binnen de NAVO bekend stond als SS-1 'SCUD' werd een wereldberoemd wapen door de inzet tegen Israël en Saoedi-Arabië in 1991. De verdediging tegen TBMs is lastig omdat TBMs relatief klein zijn maar erg snel (een SCUD haalt 1.5 km/seconde), waardoor er weinig reactietijd is. De eerste lichtingen PATRIOT-missiles (PATRIOT Advanced Capability (PAC)-1 en 2) bleken minder effectief tegen TBMs dan gehoopt, wat leidde tot de ontwikkeling van de PAC-3 raket die later ook bij de Nederlandse PATRIOT-eenheden werd ingevoerd.

De terugplaatsing naar Nederland betekende nog niet het einde van de reorganisaties. Per 1 januari 2004 werden de HAWK-systemen uitgefaseerd en de vier TRIAD-squadrons omgevormd tot twee PATRIOT-squadrons met ieder twee PATRIOT-systemen. In 2011 werd het vierde PATRIOT-systeem uit de operationele sterkte onttrokken en werden de overige drie systemen ondergebracht in één PATRIOT squadron. In 2009 besliste de Commandant der Strijdkrachten dat de GGWDP van de KLu en het Commando Luchtdoelartillerie van de Koninklijke Landmacht zouden worden samengevoegd tot het Defensie Grondgebonden Luchtafweer Commando (DGLC), onder 'Single Service Management' van de Koninklijke Landmacht op de Luitenant-Generaal Best kazerne (de voormalige vliegbasis De Peel). In 2012 werd dit DGLC geactiveerd. Tussen deze reorganisaties door werden de PATRIOT-eenheden nogmaals daadwerkelijk ingezet in Turkije in de operaties DISPLAY DETERRENCE (2003) en ACTIVE FENCE (2013-2015). Bij de Nederlandse vliegbases werden de nog resterende luchtverdedigingseenheden in 2000 opgeheven.

In 1970 waren rond 5000 burgers en militairen bij de GGWs in West-Duitsland geplaatst, dat was ongeveer 20% van de sterkte van de KLu. De organieke sterkte van DGLC bedraagt thans ruim 700 functies (d.w.z. personeel van land- en luchtmacht gecombineerd). Van de 19 operationele geleide wapen squadrons in 1970 is er anno 2018 nog één over, zij het met drie operationele PATRIOT-systemen. De vliegbases in Nederland beschikken niet meer over hun eigen grondgebonden luchtverdediging.

Inmiddels lijkt het tij voor de grondgebonden luchtverdediging te keren. Het PATRIOT-systeem wordt grondig gerenoveerd, andere wapensystemen in gebruik bij het DGLC worden vervangen of gemoderniseerd. De samenwerking met Duitsland wordt geïntensiveerd en heeft reeds geresulteerd in de onderbevelstelling van een Duitse eenheid onder DGLC. Nieuwe taken, waaronder de verdediging tegen hypersone en manoeuvrerende kruisraketten en TBMs en kleine onbemande drones ('Remotely Piloted Aircraft Systems'/RPAS), kondigen zich aan.

De rol van de grondgebonden luchtverdediging is allesbehalve uitgespeeld en blijft actueel. Daarbij blijft het credo van de luchtverdediger gelden:

IF IT FLIES, IT DIES!

[1]Air Defence – A History of United Kingdom Air Defence in the 20th Century (https://www.airdefence.org/)
[2]Voor een uitgebreide historie zie 'Blazing Skies' (Nederlof, 2002, Sectie Luchtmachthistorie, ISBN 9012096782) en 'Verenigd op de grond, daadkrachtig in de lucht' (van Loo, Maaskant, Starink en van der Vegt, 2017, Nederlands Instituut voor Militaire Historie, ISBN 9789089537027)
 

COMMAND & CONTROL GELEIDE WAPENS

  Auteur: Ronald Dorenbos, LKol bd, KLu

Het leidende principe voor de commandovoering bij luchtoptreden, inclusief de luchtverdediging, is 'centralised command, decentralised operations'. Dit houdt in dat planning en coördinatie op een zo hoog mogelijk niveau plaatsvinden.  Luchtverdedigingsmiddelen zijn immers schaars maar zeer gevraagd, en alleen een hoger niveau kan de juiste prioriteiten voor de luchtverdediging bepalen. Daarom waren de GGWs dan ook onder bevel gesteld van de NAVO-luchtverdedigingscommandant en niet van de legerkorpscommandant in wiens verantwoordelijkheidsgebied zij opereerden. Uitvoering wordt daarentegen zoveel mogelijk gedelegeerd naar het uitvoerend niveau zonder onnodige interferentie van en vertragingen veroorzaakt door het hogere niveau.

Aan dit principe werd als volgt inhoud aan gegeven. Tijdens de Koude Oorlog hadden de (meeste) lidstaten van de NAVO hun luchtverdedigingsmiddelen onder rechtstreeks gezag van NAVO geplaatst. D.w.z. dat de GGWs NATO Assigned Forces waren onder Operational Command (OPCOM) van COM2ATAF. Nederland had daardoor geen rechtstreekse operationele zeggenschap meer over de GGWs. Alleen de logistieke en administratieve ondersteuning was een Nederlandse verantwoordelijkheid, uitgeoefend door het Commando Tactische Luchtstrijdkrachten (tot 1973 het Commando Luchtverdediging) in Zeist. Paraatheid en inzet werd door een NAVO-commandant bepaald. Voor de GGWs liep de NAVO-commandolijn ('chain of command') van boven naar beneden als volgt:

  • Supreme Allied Commander Europe (SACEUR), vanuit het Supreme Headquarters Allied Powers Europe (SHAPE) te Mons/Bergen, België.
  • Commander Allied Forces Central Europe(COMAFCENT) te Brunssum, Nederland.
  • Commander Allied Air Forces Central Europe(COMAIRCENT) te Ramstein, Duitsland.
  • Commander Second Allied Tactical Air Force(COM2ATAF) te Rheindahlen, Duitsland.
  • Commander Air Defence Operations Center(COMADOC) te Maastricht, Nederland.
  • Commander Sector Operations Center 2(COMSOC2) te Uedem, Duitsland.
  • Commander Control and Reporting Center(CRC) Uedem voor 1, 2 (en later 12) GGW c.q. CRC Auenhausen voor 3, 4 en 5GGW. Vanuit het CRC leidde een SAM Allocator de acties van de geleide wapens in de sector van het CRC.
  • Commandant betreffende GGW vanuit het Groepsoperatiecentrum (GOC).
  • Commandant betreffende squadron vanuit zijn Squadroncommandopost (SCP).

In vredestijd was de NAVO-bevelsvoering over de GGWs door SACEUR gedelegeerd naar COMSOC2. In tijden van crisis en oorlog kon de bevelsvoering zowel worden teruggenomen door een hogere NAVO-commandant dan COMSOC2, of verder worden gedelegeerd naar een lager niveau. Indien in oorlogstijd alle verbindingen met hogere echelons verbroken waren lag de beslissingsbevoegdheid over onderscheppingen bij de vuurleidingsofficier, een luitenant. Overigens had (althans in theorie) de vuurleidingsofficier ('Battery Control Officer'/BCO) altijd het laatste woord bij onderscheppingen; de NAVO-boekwerken waren hier heel stellig in: 'The BCO has the final responsibility to ensure that no friendly aircraft are mistakenly engaged'.  

Omdat 3, 4 en 5GGW mobiele luchtverdedigingseenheden waren die opereerden binnen het operatiegebied van een legerkorps, brachten deze eenheden een Air Defence Operations Liaison Team (ADOLT) uit naar 'hun' legerkorps; voor 3 en 4GGW het 1st British Army Corps en voor 5GGW het 1e Duitse Legerkorps. Het ADOLT coördineerde met het legerkorps de verplaatsingen van de GGW door het legerkorpsgebied en het gebruik van terreinen (met name heuveltoppen) voor operationele inzet. 

Na het einde van de Koude Oorlog kwam er een einde aan de directe NAVO-zeggenschap van de NAVO over de dagelijkse inzet van de geleide wapen-eenheden. Die zeggenschap werd nu bij de nationale autoriteiten belegd met de optie om die onder omstandigheden via een Transfer of Authority (ToA) weer aan de NAVO over te dragen.

 

TACTIEK GELEIDE WAPENS

  Auteur: Ronald Dorenbos, LKol bd, KLu

De tactische inzet van geleide wapens werd bepaald door de door de NAVO afgekondigde alarmfase, het actuele luchtbeeld en de algehele operationele situatie binnen het NAVO-gebied.

STO. 
De NAVO-commandant had een aantal opties om de inzet van de luchtverdediging te leiden. Dit gaf hij aan door het uitgeven van een SAM[1] Tactical Order (STO). Indien de verbinding met het hogere echelon verloren ging, gaf het hoogste niveau waarmee nog wel contact bestond een nieuwe STO uit.

De STO gaf onder andere aan:

  • De Identification and Engagement Authority (IA/EA): de NAVO-commandant die bevoegd was luchtdoelen te identificeren en een onderschepping te bevelen. Tijdens crises lag dit niveau zo hoog mogelijk om verdere escalatie van het conflict zoveel mogelijk te voorkomen. Als de vijandelijkheden waren uitgebroken en de luchtoorlog zo'n massaliteit aannam dat het overzicht op hoger niveau verloren ging, kon IA/EA naar de vuurleidingsofficier worden gedelegeerd. Indien de hogere commandant positieve controle uitoefende op de luchtverdediging werd dit Centralised Operations genoemd. Indien de hogere commandant de luchtoorlog slechts monitorde en bij uitzondering ingreep, heette dit Decentralised Operations. Indien er geen contact meer tussen het squadron en een hogere commandant was, was sprake van Autonomous Operations.
  • De Readiness State (paraatheid) van de luchtverdediging (uitgedrukt in minuten of uren, of Battle Stations: onmiddellijk vuurgereed).
  • De Weapon Control Order (WCO): bij Weapons Hold mocht alleen in opdracht van het hogere echelon worden gevuurd (en uiteraard in zelfverdediging). Bij Weapons Tight mocht gevuurd worden op alle doelen die als vijandelijk waren geïdentificeerd.
  • De Weapon Engagement Zone (WEZ). Het NAVO-luchtruim was in een aantal zones verdeeld. Van oost naar west waren dat:
  • De Low Missile Engagement Zone (LOMEZ). Hierin opereerde luchtverdedigingssystemen zoals de HAWK met het doel laagvliegende doelen te onderscheppen. De LOMEZ had een hoogte van grondniveau tot 45.000 ft (ca. 13 km), behalve daar waar de LOMEZ door de HIMEZ werd overlapt; hier was de hoogtegrens 10.000 ft (ca. 3 km).
  • De High Missile Engagement Zone (HIMEZ). Dit was het deel van het luchtruim waarin de NIKE-systemen opereerden. Het hoogtebereik liep van 20.000 ft tot 100.000 ft (ca. 6 tot 30 km), behalve daar waar de LOMEZ werd overlapt; hier was de ondergrens 8000 ft. De HIMEZ kon eventueel verder naar het oosten worden uitgebreid m.n. voor de inzet van nucleaire warheads; dit was dan de Extended HIMEZ.
  • De Fighter Engagement Zone (FEZ). In dit deel van het NAVO-luchtruim waren jachtvliegtuigen verantwoordelijk voor het onderscheppen van vijandelijke vliegtuigen. De FEZ lag west van en deels onder de HIMEZ.
  • Short Range Air Defence Zones (SHORADEZ); hier waren korte-dracht wapensystemen verantwoordelijk voor de luchtverdediging (b.v. rond een vliegbasis of een deel van een landmachteenheid). Een SHORADEZ kon in zowel de FEZ, HIMEZ als LOMEZ ingebed zijn.
 

Degene die de STO uitgaf bepaalde of en welke Engagement Zones geactiveerd waren en eventuele modificaties in hoogte, horizontale afmetingen etc. daarop.

  • De Warhead Control Order (WHCO) voor NIKE. Normaliter was de opgedragen WHCO 'Case III': alleen de inzet van conventionele warheads was toegestaan. Met het voortschrijden van de oorlog kon ook Case I en/of Case II worden afgekondigd waarbij de inzet van nucleaire ladingen geautoriseerd was. Bij Case I was de inzet van nucleaire warheads tegen luchtdoelen boven een voorgeschreven minimumhoogte toegestaan, bij Case II ook daaronder. Case II werd later in de Koude Oorlog niet meer gebruikt.
  • De Air Raid Warning (ARW).De NAVO-commandant gaf hiermee aan welke luchtdreiging er gold: ARW White betekende geen luchtdreiging, ARW Yellow betekende luchtaanvallen mogelijk, ARW Red betekende luchtaanvallen 'in progress'.

ROE(geweldsinstructie). In vredestijd en tot de afkondiging van bepaalde Alert States waren de Tri-MNC's ROEs (de Rules of Engagement/ROE van de drie gezamenlijke hoogste NAVO-militaire autoriteiten (SACEUR, SACLANT en CINCCHAN)) van kracht. Deze ROEs hielden in dat slechts in zelfverdediging op een tegenstander mocht worden gevuurd, of in opdracht van de NAVO-commandant die de Engagement Authority had. Zelfverdediging was van toepassing als een vliegtuig daadwerkelijk het squadron aanviel of daartoe overduidelijke intenties had. Na Cancellation of Tri-MNC's ROEs kon worden gevuurd op doelen in overeenstemming met het gestelde in de STO.

Airspace Control.Vliegtuigen met een offensieve taak (ondersteuning van grondtroepen, aanvallen in het achterland van de tegenstander), verkenningsvliegtuigen en helikopters moesten voor het uitvoeren van hun taak door HIMEZ en LOMEZ vliegen. Het was uiteraard zeer belangrijk dat deze vliegtuigen en helikopters niet door de eigen NAVO-luchtverdediging werden afgeschoten. Om deze blue-on-blue engagements te voorkomen waren procedures vastgelegd: het Airspace Control (ASC). De ASC maatregelen werden automatisch van kracht bij de afkondiging van bepaalde NAVO Alert States.

Allereerst betrof dit het gebruik van Identification Friend or Foe (IFF). Alle NAVO-vliegtuigen werden geacht IFF te voeren. Indien een potentieel doel ondervraagd werd door een geleide wapen-eenheid en het betrof een NAVO-vliegtuig, dan gaf het vliegtuig een positive response die zichtbaar was op de radar-beeldbuis, mits geleide wapen-eenheid en vliegtuig dezelfde code voerden. Omdat de IFF mode 1 en 3 codes ieder half uur wisselden, was grote zorgvuldigheid bij beide partijen geboden om de juiste code te voeren. IFF Mode 4 was een crypto-mode die 24 uur van kracht bleef, echter niet alle NAVO-luchtmachten voerden IFF mode 4.

Indien de IFF van een vliegtuig defect was, was er nog een procedurele manier van identificatie. Dit bestond uit een stelsel van luchtwegen. Zolang een vliegtuig door een luchtweg vloog, moest het -ook indien geen positive IFF response kon worden verkregen- op basis van dit 'track behaviour' als vriendschappelijk vliegtuig worden beschouwd. Iedere acht uur werd een nieuw stelsel van luchtwegen afgekondigd via een Airspace Coordination Order (ACO). De ACO werd ingetekend op een plexiglas plaat en de positie van het gevolgde doel werd gecorreleerd met de ACO. 

Doeltoewijzing en –selectie.Het NIKE-systeem was uitgerust met een Automatic Data Link (ADL). Gedurende Centralised en Decentralised Operations kon een doel middels ADL door het hogere echelon (b.v. het CRC) elektronisch worden toegewezen aan een NIKE-eenheid. De vuurleidingsofficier werd door een zoemer geattendeerd op de doeltoewijzing, gelijktijdig gaf een combinatie van oplichtende lampjes aan wat de opdracht was (search, track, engage, cease fire, hold fire) en gaf een symbool op de radar-scope de doelpositie aan. De ADL-opdracht kon mondeling worden gepreciseerd met b.v. de doelhoogte of het door NAVO toegewezen track number. Zodra het systeem lock had op het toegewezen doel werd dit door de ADL ook weer elektronisch naar de hogere echelons doorgegeven. Ook het fire command en het missieresultaat werden zo aan het hogere echelon gemeld. Het eventuele mondelinge verkeer vond plaats via het GOC; het was niet mogelijk rechtstreeks vanaf het NIKE-squadron met het CRC te praten. Het spraakverkeer tussen het squadron en GOC vond plaats via de hotloop: een conferentieschakeling waarop het GOC en de vier squadrons waren geschakeld. Een soortgelijke maar meer geavanceerde  datalink was vanaf de invoering van het PATRIOT-systeem voorhanden.

Bij HAWK bestond er wel de mogelijkheid voor een Automatic Tactical Data Link (ATDL) doch die had Nederland niet aangeschaft. Doeltoewijzing en -rapportage gebeurde zowel tijdens Centralised als Decentralised Operations uitsluitend mondeling, van CRC naar het Groepsoperatiecentrum (GOC) en van het GOC naar het squadron. Pas na koppelen van de HAWK-eenheden aan de Information & Coordination Central (ICC) van het PATRIOT-systeem was geautomatiseerde vuurleiding bij de HAWK mogelijk.

Bij Decentralised en Autonomous Operations selecteerde de vuurleidingsofficier zelf de doelen. Meestal kwamen meerdere doelengelijktijdig voor onderschepping in aanmerking dus waren er regels voor het prioriteren van doelen. Allereerst was een vast gedeelte van de MEZ aan een GGW toegewezen, hierbuiten waren andere geleide wapen-eenheden verantwoordelijk voor de luchtverdediging. Tussen de vakken van de GGW en die van de naaste buren bestond wel een overlapgebied, hierin kon echter uitsluitend onder toezicht van het CRC worden gevuurd.

Binnen het vak van een GGW hadden de squadrons hun eigen sector: hun Primary Target Area/PTA. Die sectoren overlapten elkaar maar het GOC coördineerde via hotloop en ADL de inzet zodat niet twee squadrons hetzelfde doel zouden bestoken. Als de verbinding tussen GOC en een squadron wegviel, vuurde het squadron uitsluitend op doelen binnen de eigen PTA. De prioriteit lag dan op het doel, binnen de PTA, vliegend van oost naar west, die het eerst de denkbeeldige noord-zuidlijn door het squadron zou passeren. Doelendie ernstige elektronische storing op de rondzoekradars veroorzaakten hadden de hoogste prioriteit omdat die waarschijnlijk naderende formaties vijandelijk vliegtuigen trachtten te maskeren.

Fire Control Orders (FCO). Voor minute-to-minute control van een geleide wapen-eenheid werden mondelinge FCOs tussen squadron en GOC gebruikt. Gebruikte FCOs waren:

  • Search: een opdracht vanuit het GOC om een doel te volgen.
  • Engage: opdracht vanuit het GOC om een doel te bestrijden.
  • Cease Fire: opdracht vanuit het GOC om een doel te blijven volgen maar niet (verder) te bestrijden. Indien er reeds gevuurd was op dit doelkon de onderschepping worden afgemaakt.
  • Hold Fire: opdracht vanuit het GOC om een onderschepping onmiddellijk af te breken (eventueel door Command Destruct op een missile in flight) en de lock op het doel te verbreken.

De BCO rapporteerde terug aan het GOC met:

  • Lock-on report.
  • Engage report.
  • Mission Result report.

SAMSTATREP.Het hogere echelon moest een overzicht houden van de status van alle onderliggende eenheden. Daartoe verstuurden de geleide wapen-eenheden één keer per dag en na iedere wijziging qua (apparatuur)status een SAM Status Report (SAMSTATREP) via het GOC naar het SOC. In zo'n report stond de status van het squadron, eventuele defecte apparatuur, wanneer het squadron dan weer z'n opgedragen status naar verwachting zou innemen en het aantal resterende missiles.

KILLSUM. Periodiek moest het squadron alle succesvolle onderscheppingen aan het GOC rapporteren d.m.v. een Kill Summary (KILLSUM). In het report werden tijd en locatie van de onderschepping vermeld. Het GOC verzamelde de KILLSUMs en diende die in bij het CRC, zodat de NAVO-commandanten informatie hadden over de verliezen aan de vijand toegebracht door de geleide wapen-eenheden.

Jamming report.Indien elektronische storing werd ondervonden moest dit aan het hogere echelon worden gerapporteerd. In dit 'Jamming Report' werd aangegeven de richting van de storing c.q. de positie van het storende vliegtuig, de frequentieband waarop werd gestoord, de aard van de storing ('music' was elektronische storing, 'stream' was mechanische storing ('chaff')) en de zwaarte van de storing (waarbij 'grade three' de zwaarste vorm was waarbij opereren nog nauwelijks mogelijk was).

Mobility. Voor de HAWK- en PATRIOT eenheden waren tactische verplaatsingen van eminent belang. Een tactische verplaatsing werd normaliter door een NAVO-commandant opgedragen om de inzet van de grondgebonden luchtverdediging te synchroniseren met het landoptreden (b.v. om tijdens een vertragend gevecht samen met de landstrijdkrachten geleidelijk terug te trekken) of om ontstane gaten in de missile belt te dichten. In extreme gevallen kon echter een de commandant van een geleide wapen-eenheid zelfstandig besluiten om te verplaatsen als het overleven van zijn eenheid in het geding was. De tactische mobiliteit van HAWK en PATRIOT werd geregisseerd door een aantal berichten:

  • Coverage Mission Order(CMO):  de opdracht aan een GGW om een plan te maken om gedurende een bepaalde tijd in een bepaald gebied luchtverdediging te leveren.
  • Movement Warning Order (MWO): de opdracht aan een geleide wapen squadron om een verplaatsing naar een opgedragen positie voor te bereiden. Na ontvangst van een MWO stuurde het squadron een reconnaissance party (recce) uit naar de nieuwe positie om de route daarheen te verkennen, de nieuwe locatie te beoordelen op geschiktheid en de posities voor de apparatuur te bepalen en in te meten.
  • Recce report: het verslag van de recce omtrent de geschiktheid van de opgedragen locatie en de route daarnaartoe.
  • Movement Execution Order (MEO): de opdracht aan een squadron om op een bepaalde tijd naar de nieuwe opgedragen locatie te verplaatsen en de daar in te nemen paraatheid.
  • Movement Completion Report(MCR): het bericht van het squadron naar het hogere echelon dat de verplaatsing was voltooid met eventuele bijzonderheden.
  • Coverage Report: het bericht naar het hogere echelon met een opgave van het daadwerkelijke bestreken luchtruim na een verplaatsing.


[1]Later SAM/SHORAD Tactical Order: SAM=Surface-to-Air Missile (NIKE/HAWK); SHORAD=Short Range Air Defence, waaronder kanonsystemen)

 

 

TECHNIEK GELEIDE WAPENS

  Auteur: Ronald Dorenbos, LKol bd, KLu

Radar
Al voor de Tweede Wereldoorlog ontdekte men dat metalen voorwerpen radiosignalen weerkaatsen. Met name in Duitsland en het VK werd dit principe gebruikt voor de ontwikkeling van systemen om vliegende doelen te kunnen ontdekken en hun positie en koers te kunnen bepalen. In het VK werd dit systeem Radio Detection and Ranging (RADAR) genoemd.

Bij radar zijn er twee basisvarianten:

  • Pulse Radar: de radar zendt gedurende een relatief korte tijd een signaal uit en gaat dan gedurende een relatief lange tijd over tot de ontvangstmodus. Als de uitgezonden radarenergie weerkaatst wordt door een doel komt een deel weer terug bij de ontvanger. Door de tijd tussen zenden en ontvangen te meten is de afstand tot het doel bekend. Radarsignalen bewegen zich voort met een snelheid van 300.000 km per seconde. Als de tijd tussen zenden en ontvangen 1/1000 seconde bedroeg, is de afstand tot het doel 150 km (in die tijd moet het radarsignaal immers heen en terug en heeft dan 300 km afgelegd). Doordat de mechanische stand van de radarreflector bekend is, is ook bekend in welke richting (azimut en elevatie) het doel zich bevindt, als de radarbundel tenminste smal genoeg is. Uit de combinatie van afstand en elevatie kan grofweg de hoogte boven het aardoppervlak worden bepaald. Door regelmatig het doel aan te stralen wordt uit de verschillende gemeten posities duidelijk welke koers het doel volgt en met welke snelheid.
  • Continuous Wave Radar:de radar zendt continu een signaal uit op een bepaalde frequentie. Als het radarsignaal een doel treft zal dit worden weerkaatst. Maar door de snelheid van het doel zal de teruggekaatste reflectie een iets ander frequentie hebben dan het oorspronkelijke signaal. Dit is het 'doppler-effect', wat b.v. ook veroorzaakt dat de sirene van een naderende politieauto een hogere toon heeft dan die van dezelfde sirene die van de waarnemer af beweegt. Het verschil in frequentie is een maatstaf voor de snelheid van het doel: hoe groter het verschil, hoe hoger de snelheid van het doel. Stilstaande objecten genereren geen verschil in frequentie en kunnen dus niet gedetecteerd worden. De mechanische stand van de radarreflector geeft weer op welke azimut en elevatie het doel zich bevindt. De afstand tot het doel kan echter niet zonder meer worden bepaald, dus ook de globale hoogte niet.

Verder kan bij radars een onderscheid worden gemaakt in detection (of acquisition)radars en tracking radars. Een detection radar maakt gebruik van een smalle maar in elevatie hoge bundel en zoekt het luchtruim af naar doelen. Als een doel eenmaal ontdekt is kan het worden gevolgd door een tracking radar. Omdat een tracking radar een nauwkeurige bepaling van de doelpositie mogelijk moet maken, heeft deze een smalle bundel zowel in elevatie als azimut ('pencil beam').  

Het maximale bereik van een radar hangt af van het uitgezonden vermogen, de gevoeligheid van de ontvanger (signal/noise ratio) en bij pulse radars de pulsherhalingsfrequentie (Pulse Repetition Frequency/PRF: het aantal pulsen dat per seconden wordt uitgezonden wat dus weer bepaalt hoelang de radar in ontvangstmodus staat tot de volgende puls wordt uitgezonden). Het benodigde vermogen van de radar is evenredig met de vierde macht van de afstand: om een radar een identiek doel op twee maal de afstand te kunnen laten detecteren is 16 keer zoveel vermogen nodig, voor drie keer die afstand 81 keer zoveel vermogen. Verder zijn van invloed op het detectiebereik de grootte van het reflecterend oppervlak (Radar Cross Section/RCS) van het doel, atmosferische omstandigheden en line-of-sight (LoS; onbelemmerd zicht: radars kunnen niet door b.v. bergen heen kijken) tussen radar en doel.

Voortstuwing.Voor de voortstuwing van raketten wordt gebruik gemaakt van vloeibare of vaste brandstof. De brandstof bestaat in beide gevallen uit twee componenten: de brandstof zelf en een stof die de zuurstof voor verbranding levert ('oxydizer'). Daardoor is de raket voor de voortstuwing, anders dan een straalmotor, onafhankelijk van zuurstof in de lucht.

Vloeibare brandstof heeft het voordeel dat veelal meer stuwkracht per kilogram brandstof kan worden opgewekt dan met vaste brandstof. De vloeistoffen zijn echter vaak instabiel, vluchtig, giftig en/of uiterst brandbaar. Dit maakt ze minder geschikt voor raketsystemen die langdurig een hoge paraatheid moeten volhouden, zoals luchtafweersystemen. De eerste versie van de NIKE, de NIKE Ajax, was toch voorzien van een raketmotor die op vloeibare brandstof werkte. De brandstof moest dan regelmatig worden ververst; een risicovol klusje waarbij het personeel een gasmasker en beschermende kleding moest dragen. Vaste brandstof heeft bovengenoemde nadelen niet.

Omdat grond-luchtraketten vanuit stilstand worden afgevuurd, is initieel veel stuwdruk nodig om de raket een snelheid te geven waarbij de stuurorganen werkzaam kunnen worden. Voor de eerste vluchtfase maken grond-luchtraketten dan ook gebruik van een 'booster'. De booster levert gedurende een korte tijd veel stuwkracht, maar is ook snel uitgebrand. Daarna wordt de stuwkracht opgewekt door de 'sustainer', die gedurende langere tijd de raket op snelheid kan houden. Bij de NIKE waren booster en sustainer twee gescheiden delen van de raket: de booster vormde de eerste trap die na uitbranden werd afgeworpen, waarna de sustainer in de raket zelf de voortstuwing overnam. Bij HAWK en PATRIOT vormen booster en sustainer één geheel in de raketmotor. Het binnenste deel van de raketmotor bestaat hier uit de booster. Zodra de boosterbrandstof vanuit het midden is opgebrand, ontbrandt de sustainer.

Geleiding. Geleide wapens worden, zoals de naam al aangeeft, naar hun doel geleid. Dus nadat ze zijn afgevuurd worden er nog stuurcorrecties gegenereerd zodat het projectiel ontwijkende manoeuvres van het doel kan volgen, zijn baan kan corrigeren voor externe invloeden (bijvoorbeeld zijwind) en kan compenseren voor richtfouten bij het afvuren. Voor de geleiding van een geleid wapen voor de luchtverdediging zijn een aantal technieken beschikbaar:

  • Command Line of Sight (CLOS): vanaf de grond stuurt een bedienaar (via radiosignalen) stuursignalen naar het projectiel waarbij hij (optisch) projectiel en doel op één lijn houdt.
  • Command Guidance: d.m.v. radar worden zowel doel als projectiel gevolgd; een computer op de grond genereert stuursignalen voor het projectiel zodat doel en projectiel op enig moment samenkomen.
  • Semi-Active Homing: een radar straalt het doel aan, een ontvanger in het projectiel vangt de door het doel gereflecteerde straling op en genereert daarop stuursignalen die het projectiel naar het doel sturen.
  • Active Homing: een radar aan boord van het projectiel zendt straling uit, ontvangt de door het doel gereflecteerde straling en genereert daarop stuursignalen die het projectiel naar het doel sturen.
  • Infrarood geleiding: een ontvanger in het projectiel ontvangt warmte-energie van het doel (met name van de uitlaat) en genereert daarop stuursignalen die het projectiel naar het doel sturen.

Bij CLOS en Command Guidance wordt het projectiel vanaf de grond gestuurd, het projectiel zelf is 'dom'. Bij de andere geleidingstechnieken bevinden de 'hersenen' zich in het projectiel, het projectiel  genereert zelf de stuurcommando's om naar het doel te komen.

Het NIKE en het PATRIOT-systeem maken gebruik van Command Guidance, HAWK gebruikt Semi-Active Homing. STINGER gebruikt infrarood geleiding. PATRIOT maakt in de laatste fase van de onderschepping gebruik van een variant op Command Guidance: Track-Via-Missile (TVM). In die fase maakt PATRIOT gebruik van zowel doelinformatie afkomstig van de radar op de grond als van radarreflecties van het doel opgevangen in de raket zelf. TVM leidt tot een zeer nauwkeurig eindgeleiding van de raket bij een onderschepping.

NIKE: Command Guidance
NIKE: Command Guidance
HAWK: Semi Active Homing
HAWK: Semi Active Homing
PATRIOT: Command Guidance + Track-Via-Missile
PATRIOT: Command Guidance + Track-Via-Missile

 

 

Pagina 1 van 3