Reeds in 1886 werd bij het Korps Genietroepen een ‘ballonpark’ opgericht, hoewel de aanduiding ‘park’ een tikkeltje overdreven was. Luchtschippers (ballonvaarders) hadden we nog wel niet, maar dat was nog niet zo'n groot bezwaar, want we hadden twee kabelballonnen dus van ‘varen’ kwam toch niets. Met de oprichting op 17 oktober 1907 van de NVvL werd een begin gemaakt met gerichte bevordering van de Nederlandse luchtvaart, en naar later zou blijken gold dit zowel de civiele- alsook de militaire tak. Toen in 1909 voor het eerst demonstraties met motorvliegtuigen in Nederland werden gegeven en de eerste aviateurs zich in Frankrijk lieten opleiden, begonnen vooruitstrevende lieden al te denken aan het militair gebruik van dit nieuwe middel. Al spoedig ontstonden er discussies over de voor- en nadelen van de vliegmachine, gezien ten opzichte van de al lang geaccepteerde ballonnen. Ook in ons land hield men zich bezig met het vraagstuk of een militair apparaat uitgerust moest worden met vliegtuigen, danwel met andere luchtvaartuigen. En het is niet verwonderlijk dat de voorkeur uitging naar de laatste groep, omdat we immers alleen nog maar gebrevetteerde ballonvaarders hadden en geen aviateurs. Omdat de regering tenslotte de knoop moest doorhakken werd een wijs besluit genomen: een commissie werd benoemd om de noodzaak van een militaire luchtvaartafdeling te bestuderen en bovendien om vast te stellen waaruit die afdeling zou moeten bestaan. Niet alleen een wijs besluit, maar bovenal met zorg gekozen, want de samenstelling van de commissie loog er niet om, met kapitein Post van der Steur, luitenant W.N. Bakker en kapitein Walaardt Sacré als meest betrokken bij de luchtscheepvaart. Er waren toen - de commissie werd op 26 maart 1910 benoemd - nog geen gebrevetteerde militaire aviateurs, zodat de aanwezigheid van uitsluitend ballonvaarders van invloed was op het rapport dat de commissie in april 1912 indiende.
 
Inmiddels was in de ons omringende landen een duidelijke voorkeur voor het vliegtuig zichtbaar geworden, hetgeen zijn oorzaak vond in de geweldige vorderingen die met dit vliegend apparaat werden gemaakt. De ballon, die ‘opgeblazen concurrent’, kwam meer en meer op de achtergrond en ook het bestuurbare luchtschip ondervond zo veel tegenslagen, dat aan het militaire nut werd getwijfeld. Onder deze omstandigheden moest de regering een beslissing nemen. Toen ze dit deed door voor te stellen een bepaald bedrag vrij te maken voor het onderhoud van de, door de heer W.J. Jochems (dezelfde, die in 1909 Lefèbvre boven Groot-Persijn liet vliegen) gratis aangeboden motorballon ‘Duindigt’, ging de Tweede Kamer daar niet mee akkoord.
In het kamerrapport van april 1912 werd beslist dat men alleen gelden ter beschikking wilde stellen voor de aanschaf van vliegtuigen. De ballon werd daarbij voor de toekomst afgeschreven.
 
bron: Wim Schoenmaker en Thijs Postma, Aviateurs van het eerste uur. De Nederlandse luchtvaart tot de Eerste Wereldoorlog. Romen Luchtvaart, Weesp 1984.
 
Om naar de foto's te gaan: klik hier . . . .
 
 
   
© EMBEESOFT 2018