INTRODUCTIE GELEIDE WAPENS

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd duidelijk dat luchtafweer met behulp van luchtdoelartillerie (kanonnen) een minder effectief en weinig efficiënt middel was om het hoofd te bieden aan massale luchtaanvallen. Zo waren voor de verdediging van het Verenigd Koninkrijk tegen V-1 wapens in 1944/45 uiteindelijk ca. 4000 granaten per succesvolle onderschepping benodigd[1] , terwijl dit doel niet uitzonderlijk snel was, op middelbare hoogte vloog en niet manoeuvreerde. Het voornaamste nadeel van luchtdoelartillerie is dat een afgevuurde granaat een baan volgt die gedefinieerd wordt door de wetten van de zwaartekracht en luchtweerstand en eenmaal afgevuurd niet meer kan worden bijgestuurd naar het (eventueel manoeuvrerende) doel. Verder waren de granaten in eerste instantie nog niet uitgerust met een nabijheidsontsteking waardoor de effectiviteit verder nadelig werd beïnvloed. Tevens leidde de uitvinding van de straalmotor tot de ontwikkeling van vliegtuigen die sneller en hoger konden vliegen. Al tijdens de oorlog begonnen daarom met name de Duitsers met het experimenteren met geleide wapens voor de luchtafweer.

De Duitsers concentreerden zich op twee ontwikkelingstrajecten: voortstuwing en geleiding. Qua voortstuwing was de rakettechniek veelbelovend. Hierdoor kon een relatief grote hoogte, bereik en snelheid voor het projectiel worden behaald bij acceptabele volumes en gewichten van de voortstuwende lading. De V-2 is een bekend voorbeeld van een operationeel ingezette raket. Voor de geleiding werd teruggevallen op al ontwikkelde radartechnieken of radiogeleiding vanaf de grond. Onder andere op basis van de V-2 ontwikkelde de Duitsers raketten specifiek voor de luchtafweer; de Enzian, de Wasserfall en de Rheintochter.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de ontwikkeling van geleide wapens ('Surface-to-Air Missiles'/SAM) voor de luchtafweer met name in de VS (en de USSR) verder ter hand genomen. Voor de VS bestond de luchtdreiging uit hoogvliegende formaties Sovjet-bommenwerpers uitgerust met atoombommen en later uit intercontinentale raketten met een nucleaire lading. De Amerikaanse luchtafweer moest gaan bestaan uit een mix van onderscheppingsvliegtuigen, geleide wapens voor de lange afstand, geleide wapens voor de puntverdediging van vitale objecten (met name de grote steden) en mobiele geleide wapens voor de luchtverdediging van landstrijdkrachten. Dit resulteerde in de 50-er jaren in de VS tot de ontwikkeling van (o.a.) de NIKE voor objectverdediging en de HAWK als mobiel raketsysteem.

Ook in Nederland was aandacht voor de ontwikkeling van geleide wapens voor de luchtverdediging[2] . Al in 1949 vond een 'Symposium voor het raketvraagstuk' plaats en in 1958 rapporteerde de Commissie Ontwikkeling Raketten aan de Minister van (toen nog) Oorlog omtrent de wenselijkheid tot invoering van grond-lucht geleide wapens.

Nadat West-Duitsland in 1955 toetrad tot de NAVO en de verdediging van het NAVO-grondgebied naar het oosten moest worden uitgebreid, ontspon zich binnen de NAVO een discussie over hoe de luchtverdediging van het NAVO territorium moest worden ingericht. De NAVO kwam tot de conclusie dat een geïntegreerde luchtverdediging van jachtvliegtuigen en geleide wapens benodigd was, geleid door een meldings- en gevechtsleidingsstelsel en met gescheiden volumes luchtruim voor de inzet van bemande jagers en geleide wapens. Dit stelsel, het NATO Integrated Air Defence System (NATINADS), vormt sinds de activering op 1 juli 1961 nog steeds het grondvest van de luchtverdediging van de NAVO-landen. Binnen het NAVO-gebied werden van oost naar west gezien een Forward Missile Intercept Zone (FMIZ) en daarachter een Fighter Engagement Zone (FEZ) ingericht. De FMIZ werd onderverdeeld in een Low Missile Engagement Zone (LOMEZ) tegen doelen op lage hoogte en een High Missile Engagement Zone (HIMEZ) tegen doelen op middelbare en grote hoogte. In het achterland werden nog Short Range Air Defence Engagement Zones (SHORADEZ) ingericht voor de verdediging van specifieke vitale objecten. De geleide wapeneenheden werden in een tweetal langgerekte, aaneengesloten gordels ('missile belts') van Noord-Noorwegen tot Oost-Turkije (m.u.v. Oostenrijk) langs de grens tussen NAVO en Warschau Pakt opgesteld.

 

naar boven

Om het NATINADS te vullen werd Nederland door de NAVO 'aangeslagen' voor twee groepen geleide wapens voor de luchtverdediging op middelbare en grote hoogte en twee groepen voor luchtverdediging op lage hoogte. De vier groepen zouden in West-Duitsland worden gestationeerd globaal ter hoogte van Enschede. Tussen land- en luchtmacht werd gestreden over de vraag bij welk krijgsmachtdeel de geleide wapens zouden worden ingedeeld. Uiteindelijk besliste de Minister voor(!) Defensie ten faveure van de Koninklijke Luchtmacht (KLu). Later besloot de minister nog een derde groep geleide wapens voor luchtverdediging op lage hoogte aan de NAVO aan te bieden. Zo ontstonden de vijf Groepen Geleide Wapens (GGW) van de KLu: 1, 2, 3, 4 en 5GGW. Zij kregen respectievelijk de NAVO-luchtverdedigingsvakken 9, 7, 58, 59 en 60 toebedeeld.

De Nederlandse landstrijdkrachten kregen binnen de NAVO-strategie van voorwaartse verdediging een vak toegewezen in het gebied Bremen-Hamburg. Hierdoor konden de Nederlandse luchtverdedigingseenheden niet worden ingezet ter bescherming van de ontplooide Nederlandse landstrijdkrachten. Het operatiegebied van het 1e Nederlandse Legerkorps werd afgedekt door diverse Duitse Flugabwehrraketen (FlaRak)-bataljons.

Voor de uitrusting van de twee groepen geleide wapens voor de middelbare en grote hoogte werd dankbaar gebruik gemaakt van het Amerikaanse aanbod om NIKE-wapensystemen gratis beschikbaar te stellen in het kader van het Mutual Defense Aid Program (MDAP), inclusief de initiële opleidingen voor het personeel. Voorwaarde was wel dat de systemen in West-Duitsland werden gestationeerd. Dat leverde een aanzienlijke kostenpost voor Defensie op i.v.m. de bouw van huizen, scholen etc. voor het personeel en de aanleg van operationele sites. Voor de geleide wapen groepen voor de lage hoogte werd gekozen voor de HAWK, die door een Europees consortium in licentie werd geproduceerd. Hierbij was voor Nederland de participatie van bedrijven als Fokker, Philips en Hollandse Signaal Apparaten van belang vanwege de gebruikte nieuwe technologieën. Omdat ook Noorwegen, Denemarken, West-Duitsland, België, Frankrijk, Italië, Griekenland en Turkije kozen voor NIKE en HAWK was dit één van de eerste geslaagde materieelstandaardisatieprogramma's binnen de NAVO.

 

Op 1 november 1959 werd 1GGW als NIKE-eenheid opgericht. Het personeel werd opgeleid in de VS, waarna personeel en materieel naar Europa terugkeerde. Op 10 oktober 1961 werd het latere 119 Squadron te Münster-Handorf als eerste Nederlandse (en NAVO) geleide wapen squadron operationeel verklaard en onder operationeel bevel van de NAVO gesteld. Op 8 april 1963 werd 2GGW als NIKE-eenheid opgericht. Pas op 31 maart 1970 kon het 222Sq als laatste operationele NIKE squadron haar stellingen te Nordhorn betrekken. En passant werd vanaf 1966 een aantal van de NIKE-missiles bij driekwart van de NIKE-squadrons uitgerust met een nucleaire lading. Met een nucleaire lading was het mogelijk om meerdere doelen in een formatie met één schot uit te schakelen. Van 1967 tot 1978 beschikte één NIKE-squadron over aangepaste vuurleidingsapparatuur om Tactical Ballistic Missiles (TBM) te kunnen onderscheppen. In 1967/8 werd bij 1 en 2GGW een groepsradar ten behoeve van het Groepsoperatiecentrum (GOC) ingevoerd.

Op 15 augustus 1963 werd 3GGW als eerste HAWK-eenheid opgericht. Ook voor de HAWK vonden de initiële opleidingen plaats in de VS. Omdat de stellingen in Duitsland nog niet gereed waren werden personeel en materieel in eerste instantie geconcentreerd op de Vliegbasis Gilze-Rijen. In november 1964 verplaatste 3GGW zich naar de nieuwe standplaats Blomberg. In september 1965 bereikte de vier squadrons van 3GGW de operationele status. 4GGW werd opgericht op 1 oktober 1964 en werd in het najaar van 1966 operationeel. 5GGW werd in september 1966 geformeerd uit een kern van personeel afkomstig van 3 en 4GGW. Drie squadrons van 5GGW werden operationeel in de tweede helft van 1967. Het voorziene vierde squadron van 5GGW werd niet geformeerd. Geld- en personeelsgebrek waren hiervoor de oorzaak en een aanzienlijke hoeveelheid HAWK-materiaal was in maart 1968 bij een brand verloren gegaan.

De pioniersfase werd gekenmerkt door tal van problemen. Zo waren er ruim te weinig voertuigen voorhanden om alle HAWK-squadrons gelijktijdig te kunnen laten verplaatsen, reservedelen voor de apparatuur waren nauwelijks beschikbaar. Gekwalificeerd personeel was altijd schaars en verlof, cursussen of ziekte van personeel leidde tot extra belasting van de collega's, want de door de NAVO verordonneerde paraatheid ('status') was heilig en moest koste wat kost gerealiseerd worden.

Naast de vijf GGWs werd een Groep Techniek en Materieel Geleide Wapens (GTMGW) geformeerd in Hesepe. De GTMGW had tot taak alle vijf de GGWs logistiek en technisch te ondersteunen. Daartoe was een helikopter gestationeerd op Hesepe om snel materiaal of specialistische ondersteuning in te kunnen vliegen naar een 'non-ops' squadron.

Vanaf 1970 bestond de Nederlandse bijdrage aan NATINADS uit vijf GGWs met in totaal 19 squadrons. Deze situatie duurde maar zeer kort. Financiële problemen binnen de KLu noodzaakten al in maart 1970 tot een tijdelijke deactivatie van één NIKE en twee HAWK squadrons. In 1972 werd één squadron van 4GGW definitief gedeactiveerd. In 1975 vond een ingrijpende reductie en reorganisatie plaats, wederom ingegeven door noodzakelijke bezuinigingen. 1 en 2GGW werden ieder gehalveerd en samengevoegd tot 12GGW en 4GGW werd compleet opgeheven. Om het 'gat' in de HAWK-gordel dat 4GGW achter zou laten op te vangen werd van 3GGW één squadron verplaatst naar een voormalige locatie van 4GGW en één voormalig 4GGW-squadron werd overgeheveld naar 5GGW.

De 'Zesdaagse Oorlog' van 1967 had duidelijk gemaakt dat vliegbases kwetsbaar waren vanuit de lucht. De NAVO kwam dan ook al spoedig met eisen omtrent de bescherming van haar vliegbases. Naast passieve bescherming (camouflage, schuilplaatsen en 'shelters' voor de vliegtuigen) moest iedere vliegbasis ook over een luchtafweercomponent gaan beschikken. Deze taak was in eerste instantie belegd bij (mobilisabele) eenheden van het Korps Luchtdoelartillerie van de Koninklijke Landmacht. NAVO stelde echter de eis dat ook geleide wapens werden ingezet voor de verdediging van vliegbases. De drie vrijkomende HAWK-wapensystemen van 4GGW werden in 1975 daarom opgesplitst in ieder twee Assault Fire Units (AFU) en verdeeld over de Nederlandse vliegbases. Voor de nabij-luchtverdediging van de 12GGW werd in 1980 de combinatie Flycatcher-radar/40L70 kanonnen ingevoerd, in 1985 werden 3 en 5GGW uitgerust met het STINGER Man-Portable Air Defense System (MANPADS).

 

naar boven

Ondanks diverse modificaties was het NIKE-systeem tegen deze tijd in tactisch opzicht verouderd. In de VS werd inmiddels het PATRIOT-systeem ontwikkeld als mobiel luchtverdedigingssysteem geschikt voor alle hoogtes. Nederland maakte plannen om PATRIOT aan te schaffen als opvolger voor de NIKE, maar wederom financiële perikelen noodzaakten tot verdere reducties. In 1982 werd besloten 12GGW en haar vier NIKE squadrons al in de periode 1983-1988 op te heffen. Verder zouden bij 3 en 5GGW de helft van de HAWK-systemen worden uitgefaseerd tijdens de invoering van de PATRIOT-systemen in het tijdvak 1987-1990. De eindsituatie voor 3 en 5GGW in 1990 was ieder twee squadrons uitgerust met HAWK en ieder twee squadrons uitgerust met PATRIOT.

 

De NAVO had onderkend dat door het toegenomen vliegbereik van de vliegtuigen en de relatief zwakke verdedigingsgordel in NoordDuitsland en Denemarken, het Warschau-Pakt vrij eenvoudig via Noord-Nederland het NAVO-achterland kon bereiken. De NAVO werkte aan een plan om HAWK-eenheden in Noord-Nederland te stationeren. De bij de invoering van PATRIOT vrijkomende HAWK-systemen van 3 en 5GGW waren hiervoor beschikbaar. Verder werkte Nederland aan een plan om een nieuwe geleide wapengroep in Nederland stationeren. Deze 'GGW-NL' zou tot taak krijgen vitale objecten in Nederland (b.v. de havens van Rotterdam) te beschermen met een combinatie van HAWK- en (extra) PATRIOT-systemen.

 

En toen viel in november 1989 de 'Muur', desintegreerde het Warschau-Pakt en de Sovjet-Unie en werden West- en Oost-Duitsland herenigd. Dit had al snel gevolgen voor het operationele leven. Waar tot 1972 per groep één squadron op een 'hot status' van 5 minuten stond en de hot status in de jaren '70 en '80 20 minuten voor HAWK en 30 minuten voor NIKE bedroeg, werd op 1 juli 1990 de hot status losgelaten. Geen nacht- en weekenddiensten meer... tot dan toe ongekend in de geleide wapenwereld. De gewijzigde situatie leidde in 1990 ook tot de oprichting van een Werkgroep Herstructurering en Herlocatie Groepen Geleide Wapens. In oktober 1991 werd het advies van deze werkgroep geaccordeerd: 3 en 5GGW zouden worden opgeheven, personeel en materieel worden teruggetrokken uit Duitsland en op de Vliegbasis De Peel samengevoegd tot de Groep Geleide Wapens De Peel (GGWDP). Daarbij zouden telkens twee HAWK-AFUs en één PATRIOT-systemen in een Triple Air Defence (TRIAD) squadron worden samengevoegd. In de periode 1994-1995 vond deze reorganisatie en verhuizing haar beslag.

Maar eerst werden de operationele squadrons van 3 en 5GGW nog daadwerkelijk ingezet tijdens de Golfoorlog 1991 in Turkije (operatie WILD TUREY) en Israël (operatie DIAMOND PATRIOT). De kerntaak bij deze dit conflict was de verdediging tegen TBMs, een duidelijke accentverschuiving in de luchtverdediging. De Irakese versie van de Russische TBM die binnen de NAVO bekend stond als SS-1 'SCUD' werd een wereldberoemd wapen door de inzet tegen Israël en Saoedi-Arabië in 1991. De verdediging tegen TBMs is lastig omdat TBMs relatief klein zijn maar erg snel (een SCUD haalt 1.5 km/seconde), waardoor er weinig reactietijd is. De eerste lichtingen PATRIOT-missiles (PATRIOT Advanced Capability (PAC)-1 en 2) bleken minder effectief tegen TBMs dan gehoopt, wat leidde tot de ontwikkeling van de PAC-3 raket die later ook bij de Nederlandse PATRIOT-eenheden werd ingevoerd.

De terugplaatsing naar Nederland betekende nog niet het einde van de reorganisaties. Per 1 januari 2004 werden de HAWK-systemen uitgefaseerd en de vier TRIAD-squadrons omgevormd tot twee PATRIOT-squadrons met ieder twee PATRIOT-systemen. In 2011 werd het vierde PATRIOT-systeem uit de operationele sterkte onttrokken en werden de overige drie systemen ondergebracht in één PATRIOT squadron. In 2009 besliste de Commandant der Strijdkrachten dat de GGWDP van de KLu en het Commando Luchtdoelartillerie van de Koninklijke Landmacht zouden worden samengevoegd tot het Defensie Grondgebonden Luchtafweer Commando (DGLC), onder 'Single Service Management' van de Koninklijke Landmacht op de Luitenant-Generaal Best kazerne (de voormalige vliegbasis De Peel). In 2012 werd dit DGLC geactiveerd. Tussen deze reorganisaties door werden de PATRIOT-eenheden nogmaals daadwerkelijk ingezet in Turkije in de operaties DISPLAY DETERRENCE (2003) en ACTIVE FENCE (2013-2015). Bij de Nederlandse vliegbases werden de nog resterende luchtverdedigingseenheden in 2000 opgeheven.

In 1970 waren rond 5000 burgers en militairen bij de GGWs in West-Duitsland geplaatst, dat was ongeveer 20% van de sterkte van de KLu. De organieke sterkte van DGLC bedraagt thans ruim 700 functies (d.w.z. personeel van land- en luchtmacht gecombineerd). Van de 19 operationele geleide wapen squadrons in 1970 is er anno 2018 nog één over, zij het met drie operationele PATRIOT-systemen. De vliegbases in Nederland beschikken niet meer over hun eigen grondgebonden luchtverdediging.

Inmiddels lijkt het tij voor de grondgebonden luchtverdediging te keren. Het PATRIOT-systeem wordt grondig gerenoveerd, andere wapensystemen in gebruik bij het DGLC worden vervangen of gemoderniseerd. De samenwerking met Duitsland wordt geïntensiveerd en heeft reeds geresulteerd in de onderbevelstelling van een Duitse eenheid onder DGLC. Nieuwe taken, waaronder de verdediging tegen hypersone en manoeuvrerende kruisraketten en TBMs en kleine onbemande drones ('Remotely Piloted Aircraft Systems'/RPAS), kondigen zich aan.

De rol van de grondgebonden luchtverdediging is allesbehalve uitgespeeld en blijft actueel. Daarbij blijft het credo van de luchtverdediger gelden:

IF IT FLIES, IT DIES!

[1]Air Defence – A History of United Kingdom Air Defence in the 20th Century (https://www.airdefence.org/)
[2]Voor een uitgebreide historie zie 'Blazing Skies' (Nederlof, 2002, Sectie Luchtmachthistorie, ISBN 9012096782) en 'Verenigd op de grond, daadkrachtig in de lucht' (van Loo, Maaskant, Starink en van der Vegt, 2017, Nederlands Instituut voor Militaire Historie, ISBN 9789089537027)
 

 
 
   
© EMBEESOFT 2018